maandag 27 juni 2011

Tour de France 2011

Ik zal deze zomer helaas geen voorbeschouwingen plaatsen op de etappes van de Tour de France, wegens te druk met andere zaken.

zondag 29 mei 2011

Etappe 21: Milano - Milano (26km)

De Giro d'Italia wordt voor het eerst sinds 2008 weer eens afgesloten in de modestad en wel in stijl met een 26km lange tijdrit naar het Piazza del Duomo.

Milano (Ned: Milaan) is de hoofdstad van Lombardia (Ned: Lombardije) wat met 9.9 miljoen Lombarden met afstand de grootste regio van Italië is en vierde staat qua oppervlakte (23.863km², 59.9% van Nederland). Het is met 1.3 miljoen inwoners de tweede stad van Italië en het stedelijke gebied is zelfs de grootste met 4.8 miljoen zielen. Brescia (194k), Monza (122k), Bergamo (129k), Como (85k), Busto Arsizio (82k) en Varese (82k) zijn de belangrijkste overige steden. De regio is verdeeld in twaalf provincies: Milano (3.2m), Brescia (1.3m), Bergamo (1.1m), Varese (882k), Monza e Brianza (848k), Como (593k), Pavia (548k), Mantova (413k), Cremona (364k), Lecco (340k), Lodi (227k) en Sondrio (182k).


De ronde wordt afgesloten op het beroemde Piazza del Duomo

Lombardia is vernoemd naar de Longobarden, een Germaans volk dat in 568 het Ostrogotische Koninkrijk van Italië veroverde en verving door hun eigen koninkrijk. De Longobarden werden in 774 verslagen door Karel de Grote, die hierna koning van Italië werd en zich de Longobardische "Corona Ferrea" (IJzeren Kroon) toe eigende. De vanaf nu vooral symbolische titel en kroon van Italië zou tot 1648 gedragen worden, meestal door de keizers van het Heilige Roomse Rijk. De kroon werd later ook door Napoleon (1805-1814 als "koning van Italië) en de Oostenrijkse keizers (1815-1866 als "koning van Lombardo–Veneto") gedragen. In 1866 verloren de Oostenrijkers Veneto aan Italië, sindsdien ligt de kroon (waarin een spijker van het kruis van Jezus Christus zou zijn verwerkt) in de kathedraal van Monza.


De IJzeren Kroon, meer dan 1.000 jaar gedragen door koningen en keizers

Veel Italiaanse steden ontwikkelden zich in de 11e en 12e eeuw tot rijke stadstaten die zich tegen de keizer keerden die zich naar hun smaak te veel bemoeide met de politiek in noord Italië. Het leidde tot de vorming van de Lombardische Liga, een verbond van steden die in 1176 keizer Frederik Barbarossa versloegen in de legendarische Slag van Legnano, een symbool voor de Italiaanse onafhankelijkheid en nog steeds bezongen in het Italiaanse volkslied. De eeuwen hierna zouden de meeste stadstaten opgenomen worden in de hertogdommen Milano en Mantova, en de Venetiaanse Republiek. De Lombardische steden kwamen tijdens de Renaissance tot grote bloei, maar vielen hierna in handen van de buitenlandse (vooral Spaanse en Oostenrijkse) adel.

In 1797 veroverde Napoleon het noorden van Italië waar hij verschillende vazalstaten stichtte, na het Congres van Wenen in 1814 werd besloten dat de voormalige hertogdommen Milano en Mantova werden samengevoegd met de voormalige Venetiaanse Republiek tot het koninkrijk Lombardo-Veneto dat een onderdeel van het Oostenrijkse keizerrijk werd. Het Lombardische gedeelte werd in 1859 veroverd en in 1861 opgenomen in het verenigde Italië. Lombardia groeide hierna uit tot de economische belangrijkste regio van Italië, wat het vandaag de dag nog steeds is. De regio is goed voor bijna een kwart van de economie en het gemiddeld inkomen ligt ruim boven het landelijk gemiddelde.

Lombardia is ook met afstand de belangrijkste wielerregio van Italië met vele profkoersen, waaronder de klassieker Giro di Lombardia (WT), semiklassieker Tre Valle Varesine (1.HC) en de rittenkoersen Settimana Ciclista Lombarda en Brixia Tour (2.1). Lombardia heeft maar liefst 15 Girowinnaars voortgebracht die bij elkaar 26 keer wonnen, met als grootste namen Alfredo Binda en Felice Gimondi.


Alfredo Binda (l) en Felice Gimondi (r), Lombardische wielerkoningen

Binda won, net als Coppi en Merckx, vijf Giri (1925, 1927, 1928, 1929, 1933) en 41 etappes (alleen Cipollini won er één meer). Hij werd in 1927 de eerste wereldkampioen op de weg en veroverde ook in 1930 en 1932 de wereldtitel, Binda schreef verder o.a. 5x de Giro di Lombardia (1925, 1927-1929, 1931), 2x Milano-Sanremo (1929, 1931) en 4x het Italiaans kampioenschap op zijn naam. Felice Gimondi won drie Giri (1967, 1969, 1976 + 7 ritten) en stond maar liefst 9x op het podium (record), hij heeft bovendien ook de Tour (1965) én Vuelta (1968) gewonnen, werd wereldkampioen in 1973 en schreef verder o.a. Paris-Roubaix (1966), Giro di Lombardia (1966, 1973), Milano-Sanremo (1974) en 2x het Italiaans kampioenschap (1968, 1972) op zijn naam.

De andere Lombardische winnaars van de Ronde van Italië zijn de eerste Girowinnaar Luigi Ganna (1909), Carlo Galetti (1910, 1911), Carlo Oriani (1913), Gaetano Belloni (1920), Antonio Pesenti (1932), Learco Guerra (1934), Vasco Bergamaschi (1935), Gianni Motta (1966), Fausto Bertoglio (1975), Roberto Visentini (1986), Ivan Gotti (1997, 1999), Stefano Garzelli (2000), Paolo Savoldelli (2002, 2005) en Ivan Basso (2006, 2010). Learco Guerra werd in 1932 wereldkampioen en Marco Giovanetti won in 1990 de Vuelta. Verder wonnen Lombardische wielrenners zoals bovengenoemden en o.a. Michele Dancelli, Gianbattista Baronchelli, Guido Bontempi, Claudio Chiappucci, Stefano Zanini en Gianluca Bortolami grote wedstrijden zoals 13x Milano-Sanremo, 1x Ronde van Vlaanderen, Paris-Roubaix, Amstel Gold Race, Waalse Pijl, Luik-Bastenaken-Luik, Clasica San Sebastian en 16x de eigen Giro di Lombardia.

Er rijden dit seizoen maar liefst 41 Lombardische wielrenners bij een PT of PCT ploeg, waarvan er drie weken geleden dertien aan het vertrek stonden voor deze Giro d'Italia: Roberto Ferrari (Androni), Stefano Garzelli, Massimo Codol, Claudio Corioni (Acqua & Sapone), Marco Frapporti, Gianluca Brambilla (Colnago), Andrea Noe (Farnese), Marco Marzano (Lampre), Davide Vigano (Leopard), Alessandro Vanotti (Liquigas), Morris Possoni (Sky), Marco Pinotti (HTC) en Matteo Carrara (Vacansoleil). De belangrijkste afwezigen zijn Luca Paolini (Katusha), Francesco Gavazzi (Lampre) en natuurlijk Ivan Basso (Liquigas).


Castello Sforzeco

Terug naar Milano. De stad werd rond 600 v.C. gesticht door de Keltische Insubri onder de naam "Medhlan", zij werden in 222 v.C. verslagen door de Romeinen die de stad omdoopten in Mediolanum ("midden van de vlakte)". Het zou vooral in de late Romeinse periode belangrijk worden en werd in 286 zelfs de hoofdstad van het West Romeinse Rijk nadat deze gesplitst werd, terwijl Byzantium/Constantinopel (het huidige Istanbul) de hoofdstad van het oosten werd. In 313 werd het edict van Milano uitgevaardigd die de vrijheid van goddienst waarborgde en de weg opende voor het christendom. In de vijfde eeuw had Mediolanum zwaar te lijden onder de invallen van barbaarse volken uit het noorden, de hoofdstad werd in 402 naar het beter te verdedigen Ravenna verplaatst terwijl Mediolanum meerdere keren verwoest werd, o.a. door Atilla de Hun in 452 en de Goten in 539. De Romeinse bouwwerken hebben de tand des tijds dan ook niet overleeft, de belangrijkste overblijfselen zijn de Colonne di San Lorenzo uit de 3e eeuw, een rij zuilen voor de Basilica di San Lorenzo uit 370, al is deze basiliek herbouwd in de 16e eeuw evenals de Basilica di Sant'Ambrogio uit 379, herbouwd in de 11e eeuw.


De Colonne en Basilica di San Lorenzo

Milano werd in 1162 zwaar beschadigd door een aanval van keizer Frederik Barbarossa die zijn macht over de vrije steden van noord Italië wilde herstellen/vergroten, het was slechts één van de vele vijandige acties waarna de maat voor de steden vol was en zij in 1167 verenigden in de Lombardische Liga, met Milano dat een leidende rol hierin op zich nam. De Liga won 1176 in Legnano, zo'n 25km ten oosten van Milano, de eerder genoemde Slag van Legnano. De stad werd in 1240 omgevormd tot een heerlijkheid bestuurd door het Huis van Della Torre, zij werden in 1277 vervangen door het Huis van Visconti. Gian Galeazzo Visconti vormde de stadstaat in 1395 om in een hertogdom en had in 1386 al de opdracht gegeven om te starten met de bouw van de beroemde Duomo di Milano. De op één na grootste gotische kathedraal van de wereld, na die van Sevilla, werd in 1418 in gebruik genomen maar pas vorige eeuw voltooid. De officiële naam luidt "Cattedrale Metropolitana di Santa Maria Nascente" en het is 157m lang, 92m breed en de "Madonnina" op de hoogste van 135 torentjes is 108.5 meter hoog.


Duomo di Milano

In 1447 overleed de laatste Visconti-hertog zonder mannelijke nakomelingen, in zijn testament liet hij het hertogdom na aan de koning van Aragon terwijl ook o.a. de Franse adel, Venetiaanse Republiek en keizer op Milano aasden. De lokale bevolking zag dit allemaal niet zitten en riep de "Aurea Repubblica Ambrosiana" (Gouden Ambrosijnse Republiek) uit. De militaire leider Francesco Sforza greep in deze hectische periode de macht in de stad en herstelde na drie jaar weer het hertogdom met zichzelf als eerste heerser van de Sforza dynastie, onder zijn bestuur werden o.a. de Castello Sforzesco en Santa Maria delle Grazie kerk gebouwd. Die laatste is het enige UNESCO Werelderfgoed van de stad, waar ook het beroemde schilderij "Het laatste avondmaal" van Leonardo da Vinci zich bevindt. In 1540 kwam het hertogdom in handen van de Habsburgers, Milano behoorde tot de Spaanse tak van de familie tot deze uitstierf waarna de Oostenrijkse tak het stokje tijdens de Spaanse successieoorlog in 1706 overnam.


Chiesa di Santa Maria delle Grazie

In 1796 kwam het roemruchte hertogdom aan zijn einde toen de Franse revolutionairen het met het hertogdom Mantova verenigden in de Repubblica Transpadana (Transpadaanse Republiek) werd gesticht. Napoleon voegde deze een jaar later samen met de Emilische Repubblica Cispadana (Cispadaanse Republiek) tot de Cisalpijnse Republiek (Repubblica Cisalpina). Hetzelfde grondgebied werd in 1802 omgevormd tot de Italiaanse Republiek met Napoleon als president en in 1805 liet de Franse heerser zich kronen tot Koning van Italië met de oude Lombardische IJzeren Kroon. Milano was telkens de hoofdstad van al deze staten en nadat Napoleon werd verdreven werd Milano ook de hoofdstad van het Oostenrijkse koninkrijk Lombardo-Veneto. In deze periode groeide het vlak voor de oorlog in 1788 gebouwde "Teatro alla Scala" uit tot één van de belangrijkste operatheaters in de wereld. Het is gebouwd op de locatie van de afgebroken Santa Maria della Scala kerk, waarnaar het ook vernoemd is.


Teatro alla Scala

In 1848 brak in Milano een Italiaanse revolutie uit, de "Cinque Giornate di Milano" (vijf dagen van Milaan) was één van de opstanden die de Eerste Italiaanse Onafhankelijkheidsoorlog aanwakkerde. De opstand werd op bloedige wijze neergeslagen door de Oostenrijkers en de oorlog ging ook verloren, maar het was slechts een kwestie van tijd voor de Oostenrijkers het Italiaanse volk niet meer onder de duim konden houden. In 1859 viel het doek in de Slag bij Solferino, de Franco-Sardijne alliantie bracht de Oostenrijkers een beslissende nederlaag toe in deze gigantische veldslag waarbij waar naar schatting 235.000 á 300.000 man vochten op het slagveld waarvan er zo'n 40.000 sneuvelden. Oostenrijk stond Lombardia af aan Frankrijk, dat het weer aan Sardegna gaf in ruil voor de graafschappen Nizza (Nice) en Savoye, die sindsdien Frans zijn. Milano en Lombardia werden in 1861 opgenomen in het verenigde Italië en de stad vierde de Italiaanse onafhankelijk met de bouw van de naar de koning vernoemde Galleria Vittorio Emanuele II in 1864, tegenwoordig een peperdure overdekte winkelstraat tussen de Duomo en la Scala.


Galleria Vittorio Emanuele II

In 1919 richtte Benito Mussolini in Milano de "Camicie Nere" (zwarthemden) op, waarmee hij in 1922 vanuit Milano aan zijn Mars naar Rome begon, de staatsgreep waardoor "il Duce" aan de macht kwam in Italië. Het fascistische Italië werd als bondgenoot van Nazi-Duitsland in de Tweede Wereldoorlog meegesleurd waar het totaal niet klaar voor was, nederlaag na nederlaag werd geleden en de populariteit van Mussolini werd steeds minder. In 1943 capituleerde Italië, Mussolini werd afgezet en vluchtte naar Nazi-Duitsland, zijn pogingen om vanuit Duitsland de macht te herstellen mislukten terwijl Duitsland het noorden van Italië bezette. Milano werd dan ook het zwaarst getroffen tijdens de Duitse bezetting in 1944 door geallieerde bombardementen. Het volk schreeuwde om Mussolini's hoofd die probeerde te vluchten als Duitse soldaat naar Zwitserland, hij werd door het verzet gevonden en geëxecuteerd op 28 april 1945. Zijn stoffelijk overschot werd een dag later, samen met dat van zijn maîtresse Clara Petacci en drie prominente fascisten, voor het oog van tienduizenden Milanesen aan een vleeshaak opgehangen aan een tankstation op de Piazzale Loreto. Het stoffelijke overschot van il Duce werd op verschillende (geheime) locaties in en rondom Milano begraven om uiteindelijk in 1957 zijn laatste rustplaats te vinden in zijn geboortedorp Predappio.

Het noorden van Italië is sinds de Italiaanse onafhankelijkheid uitgegroeid tot één van de belangrijkste industriële gebieden van Europa en het economische hart van Italië. Spoorwegen werden aangelegd, fabrieken de grond uitgestampt en honderdduizenden zuid Italianen trokken naar het noorden op zoek naar een beter bestaan. Milano, centraal gelegen tussen Torino en Veneto, werd de economische hoofdstad van Italië en groeide explosief, van 267.000 inwoners in 1861 tot maar liefst 1.7 miljoen in 1971, inmiddels is de bevolking van de stad terug gelopen omdat veel Milanesen zich vestigden in de tientallen voorsteden, de suburbanisatie heeft een enorm stedelijk gebied doen ontstaan met 4.8 miljoen inwoners. De stad is de hoofdzetel van veel grote bedrijven waaronder Pirelli, die met hun 127 meter hoge Pirelli-tower al sinds 1960 het hoogste gebouw van de stad hebben. In 2014 moet hier echter verandering in komen als het CityLife project voltooid is, een gedeelte van de stad wordt volledig opnieuw ingericht met als blikvangers drie wolkenkrabbers van respectievelijk 218, 185 en 170 meter.


Het CityLife project

Verder is Milano natuurlijk wereldberoemd als één van de vier belangrijkste modesteden in de wereld, naast Parijs, London en New York. Hiernaast is het een belangrijke studentenstad met maar liefst elf universiteiten die in totaal 39 instellingen hebben en 174.000 studenten herbergen. De oudste Universiteit is de Politecnico di Milano, gesticht in 1863 en met bijna 40.000 studenten de grootste technische universiteit van Italië. Er zijn verder twee grote luchthavens en drie metrolijnen.

De stad is op sportgebied vooral bekend om haar twee voetbalgrootmachten: AC Milan speelde 100 seizoenen op het hoogste niveau, werd 18x waaronder dit seizoen kampioen, won 5x de Coppa Italia, 7x EC1/CL, 2x ECII en 4x de Wereldbeker. Internazionale heeft 17 Scudetti, won 6x de Coppa Italia, 3x de EC1 en 3x de UEFA Cup. De aartsrivalen spelen in het Stadio Giuseppe Meazza waar plaats is voor ruim 80.000 mensen. Giuseppe Meazza was een Milanese voetballer die in de jaren '30 furore maakte bij Inter en wereldkampioen werd met Italië in 1932 en 1936, hij speelde ook even voor Milan maar is bovenal toch een Inter icoon, veel Milan fans refereren dan ook liever naar hun stadion als San Siro, naar de wijk waarin het ligt.
De basketbalclub Olimpia Milano is met 25 landstitels de succesvolste club van Italië, al dateert de laatste titel alweer van 1996 en won het nooit de Champions League, wel staan er vijf "kleinere" Europese bekers in de prijzenkast.


Giuseppe Meazza / San Siro

Ik zal geen poging wagen om een lijstje van beroemde Milanesi te maken, dan wordt dit verhaal veel te lang voor zover het dat nog niet is ;)

Op wielergebied is Milano vooral bekend als de stad waar de Giro d'Italia traditioneel eindigt, maar de grootste (Milano-Sanremo) en oudste (Milano-Torino) wielerklassiekers gaan ook van start in de modestad terwijl de Giro di Lombardia ook vaak Milano als start en/of finishplaats heeft gehad. De Lombardische hoofdstad heeft ondanks alles echter relatief weinig topwielrenners voortgebracht, zo kwam er nog nooit een Girowinnaar uit Milano, wel uit de provincie: Carlo Galetti (1910, 1911), Carlo Oriani (1913) en Gianni Motta (1966). De grootste namen uit de stad zijn de pistier Antonio Maspes (7x wereldkampioen sprint jaren '50-60) en Cesare Brambilla (Giro di Lombardia 1906).

In het huidige profpeloton wordt de stad vertegenwoordigd door Luca Paolini (Katusha) en Giacomo Nizzolo (Leopard), uit de provincie komen verder Marco Marzano (Lampre), Daniele Callegarin (Team Type 1), Michele Merlo (De Rosa), Andrea Noe (Farnese) en Daniele Colli (Geox). Noe en Marzano waren ook gestart in deze ronde, al heeft de oude krijger Noe die hier afscheid wou nemen van de wielersport moeten opgeven.

Milano is uiteraard de veruit meest gebruikte stad in de Ronde van Italië met 82 aankomsten (meestal, maar lang niet altijd, als slotrit) en 54 starts. De eerste winnaar hier was Dario Beni die de slotrit in de eerste Giro van 1909 won, Mario Cipollini won maar liefst 5x in de modestad en de enige Nederlandse overwinning staat op naam van Gerben Karstens (1973). De Giro kwam de afgelopen jaren aan in Verona en Roma, maar in 2009 was er wel een aankomst "tussendoor" toen Mark Cavendish de sprint won en het jaar daarvoor schreef Marco Pinotti de afsluitende tijdrit op zijn naam.




Het parcours van de tijdrit is wegens lokale verkiezingen aangepast, waardoor er ook geen profieltje op de website staat, maar samenvattend ziet hier ongeveer zo uit: ____________________

De tijdrit is nu 26km lang en start in Fiera Milano, het terrein in het voorstadje Pero (11k) ten noordoosten van de stad waar over drie jaar de wereldtentoonstelling Expo 2015 wordt gehouden. Het parcours is in het begin erg bochtig, tot de renners via een paar lange rechte stukken richting het centrum van de stad rijden met in de laatste kilometers weer een paar bochten en aankomst op het Piazza del Duomo.

zaterdag 28 mei 2011

Etappe 20: Verbania - Sestriere (242km)

Het peloton krijgt een dag voor de afsluitende tijdrit in Milano nog een lange bergetappe voor de kiezen met voor het eerst sinds 2005 de nu al legendarische Colle delle Finestre in het parcours. Het deels onverharde monster zette in 2005 de Giro op zijn kop, dat zal nu niet gebeuren met Contador stevig in het roze, maar een spektakelstuk wordt het zeker.

Verbania is met 31.000 inwoners de hoofdstad van de provincie Verbano-Cusio-Ossola (163k) en regio Piemonte (4.4m). Het ligt aan de westoever van het Lago Maggiore.


Verbania

De stad is pas in 1939 gesticht als fusie van de stadjes Intra en Pallanza en is vernoemd naar het Lago Maggiore dat ook wel Verbano wordt genoemd. De stad leeft vooral van het toerisme dat op het Lago Maggiore af komt, ook is er wat chemische industrie en wordt er o.a. nylon en azijnzuur geproduceerd door het lokale bedrijf Acetati. De voetbalclub Società Sportiva Verbania Calcio speelt in de regionale amateurcompetitie. De provincie Verbano-Cusio-Ossola bestaat pas sinds 1992 toen het zich afscheidde van Novara. Verbano is zoals gezegd een andere naam voor het Lago Maggiore, Cusio is een andere naam voor het Lago d'Orta en Ossola is een vallei in de provincie.

De bekendste "Verbanesi " zijn de militair Luigi Cadorna (opperbevelhebber Italiaanse strijdkrachten in de Eerste Wereldoorlog) en kanoër Beniamino Bonomi (goud OS 2000 en WK 1995 K2 1000m, ook 3x zilver OS en 6x zilver WK).

Het is de derde keer dat de Giro hier komt. In 1952 won de Zwitser Fritz Schär hier en ging de volgende (slot)rit naar Milano waar Antonio Bevilacqua de winst pakte. Franco Chioccioli mocht hier in 1993 het zegegebaar maken, terwijl Mario Cipollini een dag later de etappe naar Vigevano won.


Sestriere

Sestriere (Frans: Sestrières) is een skioord met amper 900 vaste inwoners, maar tijdens het hoogseizoen verblijven er ruim 20.000 mensen. Het ligt in de Piemontese provincie Torino (2.3m), hemelsbreed zo'n 65km ten zuidwesten van Torino en 10km ten oosten van de Franse grens.

Het heeft net als de startplaats van vandaag weinig historie, het is pas in 1934 gesticht door de gehuchten Sauze en Champlas van hun oorspronkelijke gemeente af te scheiden om deze nieuwe gemeente te vormen. Sestriere is vernoemd naar de Colle delle Sestriere, het plateau waar het op is gebouwd.

De reden om deze plaats te stichten was om er een wintersportoord van te maken, met name de Agnelli familie van FIAT investeerde veel geld om het uit de grond te stampen en hotels, skipistes, de hoogst gelegen 18-holes golfbaan van Europa en andere voorzieningen werden aangelegd. Het doel is geslaagd, want Sestriere is uitgegroeid tot één van de belangrijkste skioorden van noordwest Italië. Het maakt deel uit van de Via Lattea, acht skioorden (waarvan één in Frankrijk) in de streek die samen 400km aan pistes hebben. Sestriere organiseert vele skiwedstrijden, waaronder een jaarlijkse World Cup, het WK 1997 en ook de skionderdelen op de Olympische Winterspelen van 2006 werden hier afgewerkt.


Sestriere

Sestriere is voor de zesde keer aankomstplaats in de Ronde van Italië met ritzeges voor de Spanjaarden Eduardo Chozas (1991) en Miguel Indurain (1993, klimtijdrit), de Zwitser Pascal Richard (1994), de Tsjech Jan Hruska (2000, klimtijdrit) en als laatste de Venezuelaan José Rujano (2005) in de legendarische eerste etappe over de Colle delle Finestre.

Giro d'Italia 2005 - etappe 19
Rujano reed samen met Gilberto Simoni en Danilo di Luca weg op de Finestre, waardoor klassementsleider Paolo Savoldelli in de problemen kwam en zowel Simoni als Rujano uitzicht kregen op de roze trui. Savoldelli wist met een kenmerkende afdaling en veel steun van andere renners de schade op de slotklim te beperken en zijn eindzege veilig te stellen. Rujano loste in de slotfase de moegestreden Simoni, terwijl di Luca al eerder was afgehaakt. Savoldelli won een dag later de ronde met slechts 28 seconden voorsprong op Simoni en 45 seconden op Rujano.


Di Luca, Simoni en Rujano op de Finestre in 2005

1 Jose' Rujano Guillen (Ven) Selle Italia-Colombia 5.49.30 (32.618 km/h)
2 Gilberto Simoni (Ita) Lampre-Caffita 0.26
3 Danilo Di Luca (Ita) Liquigas-Bianchi 1.37
4 Juan Manuel Garate (Spa) Saunier Duval-Prodir 1.53
5 Wim Van Huffel (Bel) Davitamon-Lotto 1.55
6 Serguei Gonchar (Ukr) Domina Vacanze
7 Paolo Savoldelli (Ita) Discovery Channel-Pro Cycling Team
8 Tadej Valjavec (Slo) Phonak Hearing Systems
9 Mauricio Alberto Ardila Cano (Col) Davitamon-Lotto 2.38
10 Emanuele Sella (Ita) Ceramica Panaria-Navigare 5.07

In de Tour de France zijn er ook vier aankomsten in het skioord geweest en telkens won een grote naam: Fausto Coppi (1952), Claudio Chiappucci (1992), Bjarne Riis (1996) en Lance Armstrong (1999). De zege van Chiappucci in 1992 is één van de meest legendarische ritzeges in de recente geschiedenis, hij pakte uit met een gigantische solo over vijf cols en zorgde voor een gigantisch slagveld in de achtergrond. Het was ook twee keer startplaats in de Tour (nooit in de Giro), in 1952 won de Nederlander Jan Nolten een etappe naar Monaco en in 1999 ging de rit naar Alpe d'Huez waar Giuseppe Guerini (ondanks val door fotograaf) de rit op zijn naamschreef.

Sestriere is dit jaar ook opgenomen in het parcours van de Tour de France, in de 17e etappe klimt men vanuit Cesena Torinese naar het skioord, al ligt de aankomst na een lange afdaling in Pinerolo.




De eerste 195km van deze lange etappe zijn zo goed als vlak en lopen door de provincies Verbano-Cusio-Ossola, Novara, Vercelli en Torino. Het peloton keert na 144.1km zelfs terug in de Piemontese hoofdstad Torino waar het drie weken geleden allemaal begon. Hierna begint de weg heel langzaam te stijgen tot in Susa de laatste grote klim van deze ronde begint.

De Colle delle Finestre (2178m|18.5km|9.2% gem. en 14% max.) is op zich al een verschrikkelijk zware klim met percentages die voortdurend rond de 9% schommelen en in het begin zelfs ver boven de 10% uitstijgen. De laatste 7.8km zijn dan ook nog eens over het onverharde sterrato.




De smalle (wel geasfalteerde) afdaling van 11.2km á 6.9% brengt de renners naar de voet van de klim naar Sestriere (2035m|16.2km|3.8% gem. en 9%), deze is vanaf deze zijde niet zo lastig en doet een beetje denken aan de slotklim van gisteren. Een lang stuk veredeld vals plat (1.9% over de eerste 7km) en hierna overwegend een procent of 5/6.




vrijdag 27 mei 2011

Etappe 19: Bergamo - Macugnaga (209km)

De voorlaatste bergetappe in deze zware Ronde van Italië is er weer één met aankomst bergop, het is echter niet zo'n zware slotklim en de voorlaatste klim ligt ver van de finish. Het lijkt dus weer een extra kans voor vluchters die goed bergop kunnen rijden, terwijl de klassementsrenners vooral met de rit van morgen over de Colle delle Finestre in hun hoofd zitten.

Bergamo heeft ongeveer 129.000 inwoners en is de hoofdstad van de gelijknamige Lombardische provincie waar 1.1 miljoen Bergamaschi wonen. Het ligt aan de rivier de Morla aan de rand van de Po-vlakte en de uitlopers van de Alpen, zo'n 45km ten noordoosten van Milano. De stad bestaat uit een hoog (Città alta) en laag (Città bassa) deel, de Città alta is de middeleeuwse stad en ligt op een heuvel omringd door de Venetiaanse stadsmuren terwijl de moderne uitbreidingen aan de voet van deze heuvel zijn gebouwd en met o.a. een kabeltrein zijn verbonden met het historische centrum.


Bergamo

De stad is waarschijnlijk gesticht door een Ligurische stam onder de naam Barra, maar werd ongeveer 550 v.C. veroverd door de Gallische Cenomani. Zij werden in de 3e eeuw v.C. verslagen door de Romeinen die de stad Berganum noemden, Berganum kreeg in 49 v.C. stadsrechten van Julius Caesar en werd goed verdedigd tegen invallers uit de bergen die richting het belangrijke Mediolanum (Milano) wilden trekken. Dit kon echter niet verhinderen dat de stad in de 5e eeuw verwoest werd door de Goten en Atilla de Hun. Het viel in 569 in handen van de Germaanse Longobarden die van Bergamo de hoofdstad van een hertogdom binnen hun koninkrijk maakten, zij noemden de stad Bèrghem wat zoiets als berghuis betekent nog steeds de naam van Bergamo is in het Bergamaskische dialect dat nog veel Germaanse invloeden heeft.

Bergamo werd in 774 veroverd door Karel de Grote waarna het binnen het Frankische en later Heilige Roomse Rijk zou worden, eerst ondergeschikt aan de heren van Verona en later Milano, maar vanaf 919 werd het zelf de hoofdstad van een graafschap onder het Huis van Gisalbertini. Zij bleven tot 1093 aan de macht, waarna Bergamo een vrije stadstaat werd en in 1167 één van de stichters van de Lombardische Liga tegen de keizer was. De stad werd in de late 12e en 13e eeuw echter verscheurd door de strijd tussen de Guelfi (pausgezinden) en Ghibellini (keizergezinden), die in Bergamo respectievelijk de Rivoli en Suardi heetten naar de belangrijkste families die deze stromingen vertegenwoordigden. De bloederige burgeroorlogen leidden tot allerlei allianties met periodes waarin andere steden zoals Milano, Brescia en Verona veel invloed hadden en de stad in 1331 zelfs korte tijd in handen viel van de koning van Bohemen en Polen.


Venetiaanse stadsmuren

In 1428 werd de stad veroverd door de Venetiaanse Republiek die de oude stad na Franse en Spaanse aanvallen in 1561 omringden met ruim 4km aan muren die nu nog steeds overeind staan. De Venetianen herstelden de rust in Bergamo en bleven op wat korte periodes na aan de macht tot het in 1796 werd veroverd door de Fransen die de Republiek Bergamo stichtten. Bergamo werd een jaar later opgenomen in de Cisalpijnse Republiek en kwam na de Franse periode in 1814 met de rest van de voormalige Venetiaanse Repubiek toe aan Oostenrijk. Het was tijdens de Risorgimento één van de opstandigste steden en toen Giuseppe Garibaldi hier in 1859 kwam sloten honderden vrijwilligers zich aan bij zijn leger, waardoor Bergamo ook wel de "Città dei Mille" wordt genoemd.

Het centrale plein van de stad is de Piazza Vecchia, waaraan de Duomo di Bergamo (1638) en de Basilica di Santa Maria Maggiore (1137) liggen. De Santa Maria Maggiore kerk staat al sinds de Middeleeuwen bekend om het bijhorende conservatorium waar talloze bekende componisten hebben gewerkt en zijn opgeleid. De bekendste zijn de Bergamask Gaetano Donizetti (1797-1848) en de Duitser Simone Mayr (1763-1845), voor wie monumenten zijn opgericht naast de kerk.


Basilica di Santa Maria Maggiore

De lokale economie van Bergamo is zeer divers met veel industrie en diensten, de bekendste bedrijven zijn Italcementi (5e grootste cementproducent ter wereld), de UBI Banca (5e bank van Italië) en Gewiss (elektrotechniek, oud-sponsor van een grote wielerploeg). De Università degli Studi di Bergamo werd in 1968 gesticht en heeft zo'n 15.000 studenten. Het Aeroporto di Bergamo-Orio al Serio is met 7.7 miljoen vervoerde passagiers in 2010 de vierde luchthaven van Italië.

De voetbalclub Atalanta Bergamasca Calcio is in 1907 opgericht, won in 1963 de Coppa Italia, speelde 53 seizoenen op het hoogste niveau en speelt zondag om het kampioenschap in de Serie B. Atalanta speelt haar thuiswedstrijden in het Atleti Azzurri d'Italia stadion waar zo'n 25.000 mensen in passen. Het stadion wordt ook gebruikt door AlbinoLeffe, een fusieclub die in 1998 ontstond uit de clubs van de stadjes Albino en Leffe. AlbinoLeffe heeft geen eigen stadion geschikt voor profvoetbal en strijdt tegen degrdatie uit de Serie B.

Foppapedretti Bergamo is één van de succesvolste clubs in het Europese damesvolleybal, het werd sinds 1996 7x Italiaans kampioen (2006 voor het laatst) en won net zo vaak de Champions League (2010 voor het laatst). De heren van Olimpia Pallavolo Bergamo wonnen geen kampioenschappen en spelen in de Serie B1 (derde niveau).

Bekende "Bergamaschi" zijn o.a. 18e eeuwse componist/violist Pietro Antonio Locatelli (woonde en stierf in Amsterdam), operacomponisten Giovanni Legrenzi (17e eeuw) en Gaetano Donizetti (19e eeuw) en in de vorige/deze eeuw Angelo Roncalli (Paus Johannes XXIII 1958-1963), beeldhouwer Giacomo Manzù, acteur Giulio Bosetti en regisseur Ermanno Olmi (vooral bekend van Italiaanse films), politici Mirko Tremaglia (Minister van Italianen in de Wereld 2001-2006), Roberto Calderoli (Minister van Vereenvoudiging 2008-nu) en Pia Locatelli (presidente van de Partito Socialista Italiano) en voetballers Roberto Donadoni (63 caps, 5 goals - middenvelder van o.a. Milan jaren '80-90, bondscoach 2006-2008 en nu Cagliari) en Ivan Pelizzoli (2 caps, keeper van o.a. Roma en nu Cagliari).

De provincie behoort tot de belangrijkste wielerstreken van Italië met veel koersen en renners die hier vandaan komen. De stad was van 1995 tot 2003 de aankomstplaats van de Giro di Lombardia, de traditionele slotrit van de Settimana Ciclista Lombarda (rittenkoers die normaal in april, maar dit jaar in augustus/september gereden wordt) gaat naar Bergamo en de stad organiseerde al diverse keren het Italiaans kampioenschap wielrennen, voor het laatst in 2008 toen Filippo Simeoni kampioen werd.

Bekende wielrenners uit de stad zijn Girowinnaar Antonio Pesenti (Giro: 1e 1932, 5e 1930, 7e 1931 + 3 ritzeges. Tour: 3e 1931, 4e 1932 + 1 ritzege) en verder o.a. Gianni Marcarini (GP Plouay 1970), Claudio Corti (Giro: 5e 1986. WK amateurs 1977, Italiaans kampioen 1985 & 1986), Flavio Giupponi (Giro: 2e 1989, 4e 1988, 5e 1987 + 1 ritzege), Giovanni Fidanza (ritzege Tour 1989 & Giro 1990), Luca Gelfi (2 ritzeges Giro 1990), Rossano Brasi (Hamburg 1996, WK 100km ploegentijdrit 1993) en Eddy Mazzoleni (Giro: 3e 2007 & 10e 2003). De actieve profs Marco Corti (Geox), Alessandro Bazzana (Team Type 1) en Alessandro Vanotti (Liquigas) komen hier ook vandaan, evenals de oud-ploegleider Gianluigi Stanga (o.a. Polti, Domina Vacanze, Milram).

De provincie bracht verder veel te veel goede renners voort om op te noemen, de belangrijkste zijn de Girowinnaars Felice Gimondi (1967, 1969, 1976), Ivan Gotti (1997, 1999) en Paolo Savoldelli (2002, 2005). Gimondi is uiteraard de grootste van de drie en won verder ook o.a. Tour (1965), Vuelta (1968), WK (1973), Milano-Sanremo (1974), Paris-Roubaix (1966) en Giro di Lombardia (1966, 1973).

Bergamo was slechts zeven keer aankomstplaats in de Giro. Vincenzo Borgarello (1912), Diego Marabelli (1938), Oreste Conte (1952), Felice Gimondi (1976), Giuseppe Saronni (1983), Stefano Garzelli (2007) en Kanstantsin Sivtsov (2009) hebben hier een etappe gewonnen. Het is vandaag de vijfde keer dat er een rit op gang wordt geschoten, de laatste keer was in 1988 voor een door Tony Rominger gewonnen etappe naar Chiesa in Valmalenco.


Macugnaga en de Monte Rosa

Macugnaga is een bergdorpje met iets meer dan 600 inwoners in de provincie Verbano-Cusio-Ossola (163k) en Piemonte (4.5m), de regio waar deze Giro drie weken geleden begon. Het ligt op de flanken van de 4.634m hoge Monte Rosa (Dufourspitze), de hoogste berg van Zwitserland en Piemonte en na de Mont Blanc (4.810m) de hoogste van Italië en de Alpen. Macugnaga zelf ligt 1.327m boven de zeespiegel en hemelsbreed 3km van de Zwitserse grens.

Het plaatsje bestaat uit een paar dorpjes die in de tweede helft van de 13e eeuw zijn gesticht door Zwitserse herders en boeren uit de Saas vallei in het huidige kanton Wallis. Het Walserdeutsch dialect uit die streek wordt ook hier nog steeds gesproken, Macugnaga heet in dit dialect Z'Makana. Het was eeuwenlang een onbeduidend plaatsje waar de herders en boeren in alle rust leefden en hun taal en cultuur in stand hielden.

In de 18e eeuw werd er goud in de bergen gevonden en werden honderden kilometers aan mijnschachten gegraven om het goud te delven, de laatste mijn werd in 1961 gesloten waarna honderden mensen weer weg trokken. Sindsdien is er een skioord met de pistes van de Monte Moro (een andere top in het Monte Rosa massief) waardoor het toerisme de belangrijkste economische factor werd.


Skipistes

Macugnaga is echter vooral bekend bij klimmers, het is gebouwd tegen de indrukwekkende oostwand van het Monte Rosa massief. De beklimming van deze 2.600m hoge muur is één van de grootste uitdagingen voor klimmers in Europa.

Het is de eerste keer dat de Giro hier komt en Macugnaga heeft geen bekende wielrenners voortgebracht, uit de provincie Verbano-Cusio-Ossola komen o.a. de tot Fransman genaturaliseerde Dante Gianello (10e + ritzege Tour 1938) en de in deze Giro aanwezige Giampaolo Cheula (Geox).




De renners passeren vandaag maar liefst tien provinciale grenzen en rijden achtereenvolgens door Bergamo, Milano, Monza e Brianza, Milano, Varese, Milano, Varese (Lombardia), Novara, Verbano-Cusio-Ossola, Novara en nogmaals Verbano-Cusio-Ossola (Piemonte). Men passeert na 71.9km Gallarate, de geboorteplaats van Ivan Basso, en Giampaolo Cheula rijdt vandaag na 173.8km door "zijn" Premosello.

Het Lombardische deel langs het noorden van Milano is zo goed als vlak, het begint na 103.2km langzaam te klimmen richting de voet van het zwaarste obstakel van de dagl de Mottarone (1341m|13.8km|6.2% gem. en 14% max.) van eerste categorie waar in 2001 Gilberto Simoni aan een indrukwekkende solo begon. Deze klim is vooral in de laatste 3.3km steil met een gemiddeld stijgingspercentage van 9.5% en een stuk van 14%. De top ligt op ruim 70km van de streep en de afdaling is met 7.8% over 8.3km een stuk steiler dan de klim, het wordt echter gevolgd door vlak stuk richting de slotklim waardoor een aanval vanaf de Mottarone weinig kans van slagen lijkt te hebben.




De Macugnaga (1360m|28.2km|3.9% gem. en 12% max.) is volgens de officiële cijfers een erg lange beklimming, maar waar een vals platte aanloop bij de meeste bergen in deze Giro niet werd meegerekend wordt dit nu juist wel gedaan. De eerste 2km van 9.4km zijn weliswaar erg steil, maar hierna volgt dus een lang stuk van zo'n 16km vals plat met tussendoor zelfs een korte afdaling. De daadwerkelijke slotklim is met 10.2km á 5.9% een zogenaamde loper, een groot duel tussen de groten hoeven we hier dus niet te verwachten, het zal vandaag vooral om de ritzege gaan.



donderdag 26 mei 2011

Etappe 18: Morbegno - San Pellegrino Terme (151km)

De tweede overgangsetappe in de slotweek brengt de renners naar het kuuroord San Pellegrino Terme. Het is op papier een rit voor de vluchters, maar met een lastige klim in de finale + afdaling richting de finish is er misschien wel een klassementsrenner in het peloton die iets durft te ondernemen.

Morbegno is met zo'n 12.500 inwoners de tweede stad van de provincie Sondrio (182k) in de regio Lombardia (9.9m). Het ligt net als de finishplaats van gisteren in de Valtellina en aan de rivier de Adda, die zo'n 15km ten oosten van Morbegno in het meer van Como stroomt, en het zijriviertje de Bitto.


Morbegno

Er is weinig bekend over de oorsprong van Morbegno, in een document uit de 9e eeuw wordt een plaatsje genaamd Mosergia genoemd dat aan Morbegno gelinkt kan worden, maar zekerheid is er pas vanaf de 12e eeuw. Het dorpje zou net als de rest van de Valtellina onder het hertogdom Milano eeuwenlang gekenmerkt worden door de strijd worden tussen de katholieke Milanezen en protestante Zwitserse Grijze Bonden. Het belangrijkste monument van de stad is het Collegiata di San Giovanni Battista, een 17e/18e eeuwse kerk in de Barok stijl.


Collegiata di San Giovanni Battista

Morbegno werd in 1885 werd aangesloten op het spoorwegennet waarna zich wat industrie begon te ontwikkelen. De streek is verder bekend van de Bitto kaas en de rode Valtellina Superiore wijn. De bekendste "Morbegnesi" zijn voetballer Roberto Antonelli (aanvaller van o.a. Milan jaren '70-80, vader van Genoa-linksback en huidig international Luca Antonelli) en de in deze Giro afwezige wielrenner Francesco Gavazzi (Lampre).

Het is de derde keer dat hier een rit van start gaat, in 1991 won Franco Chioccioli een rit over de Mortirolo naar Aprica en in 2009 was het de Wit-Rus Kanstantsin Sivtsov die de etappe naar Bergamo op zijn naam schreef. De enige aankomst in Morbegno leverde in 1991 een overwinning op voor de vorig jaar overleden Franco Ballerini.



San Pellegrino Terme (5k) behoort tot de provincie Bergamo (1.1m) en ligt ruim 20km ten noorden van de provinciale hoofdstad (129k) in de Val Brembana, een door de rivier de Brembo uitgeslepen. SPT wordt in het westen en oosten ingesloten door de Prealpi Bergamasche.


San Pellegrino Terme

Het plaatsje is in de 8e eeuw gesticht, maar bleef altijd een rustig afgelegen dorpje waar weinig tot niets gebeurde. De vallei zou 1331 onderdeel worden van het hertogdom Milano, maar in 1428 viel het net als Bergamo in handen van de Republiek Venezia. Het volgt sindsdien de geschiedenis van Bergamo, dat in 1859 samen met Lombardia (en dus niet Veneto) veroverd werd door het koninkrijk Sardegna en in 1861 onderdeel werd van het verenigde Italië.

Terug naar San Pellegrino Terme, dit rustige plaatsje stond al sinds 1395 vooral bekend om haar mineraalwaterbronnen (Leonardo da Vinci schreef er al over in 1509) en groeide aan het einde van 19e eeuw uit tot een kuuroord. Het Casinò Municipale en Grand Hotel werden in 1904 en 1905 gebouwd en trokken vele rijke Italianen naar dit plaatsje. Het toerisme dat op het kuuroord af komt is nog steeds de belangrijkste economische factor, samen met het in 1899 opgerichte bedrijf San Pellegrino dat het mineraalwater en op dit water gebaseerde frisdranken ging verkopen. S.Pellegrino was de grootste frisdrankproducent van Italië, maar werd in 1997 overgenomen door de Zwitserse gigant Nestlé.


Casinò Municipale

De bekendste der "Sampellegrinesi" is een wielrenner: tweevoudig Girowinnaar Ivan Gotti (Giro: 1e 1997 & 1999, 5e 1996, 7e 2001 + 2 ritzeges. Tour: 5e 1995). De provincie Bergamo is sowieso één van de meest productieve provincies van Italië wat wielertalent betreft, zo komen o.a. Felice Gimondi en Paolo Savoldelli hier vandaan, maar morgen meer daarover.
De actieve profs uit de provincie zijn Matteo Carrara (Vacansoleil), Marco Pinotti (HTC), Alessandro Vanotti (Liquigas), Morris Possoni (Sky), Daniele Ratto, Marco Corti (Geox), Alessandro Bazzana (Team Type 1), Federico Rocchetti (De Rosa), Diego Caccia (Farnese) en Paolo Locatelli (Colnago). Carrara, Pinotti, Vanotti en Possoni doen ook mee in deze Giro en zullen voor eigen publiek misschien wel extra gemotiveerd zijn om in de kopgroep terecht te komen.

San Pellegrino Terme is al voor de achtste keer aankomstplaats in de Giro en tot dusver was het telkens een Italiaan die hier kwam winnen. Fausto Coppi won hier in 1955 zijn allerlaatste Giro etappe, verder staan op de erelijst Glauco Servadei (1937), Nino Assirelli (1953), Giorgio Albani (1956), Alessandro Fantini (1959), Franco Bitossi (1964), Marino Basso (1969) en Renato Laghi (1977). Er gingen ook negen ritten van start in SPT, voor het laatst in 1977 toen Wilmo Francioni de etappe naar Varese op zijn naam schreef.





De renners rijden via de provincies Sondrio en Lecco langs het meer van Como naar Bergamo dat na 91.8km wordt bereikt via een klimmetje, de etappe van morgen start in deze wielerstad bij uitstek.

Na Bergamo begint een vals platte aanloop richting het belangrijkste obstakel van de dag, de Passo di Ganda (1060m|9.2km|7.3% gem. en 15% max.) van tweede categorie is in de eerste 7km vrij gelijkmatig met percentages van meestal zo'n 6 á 7%. De laatste 2.2km zijn echter zeer steil met een gemiddelde van 9.8% en stukken tot 11% met een piek van zelfs 15%. De top ligt op 30.1km van de streep, waarvan het grootste deel in een minder steile afdaling. De laatste kilometers hebben nog wat stroken vals plat.

woensdag 25 mei 2011

Etappe 17: Feltre - Tirano (230km)

De ronde nadert haar einde, vrijdag en zaterdag de laatste aankomsten bergop en zondag is er nog een afsluitende tijdrit in Milano. De etappes van vandaag en morgen zijn bergritten, maar waarschijnlijk niet zwaar genoeg om een strijd tussen de groten te verwachten, het is vandaag aan de aanvallers.

Wegens onvoorziene andere verplichtingen heb ik gisteravond geen tijd gehad om een uitgebreide voorbeschouwing te schrijven zoals jullie van me gewend zijn, dus het moet wat korter vandaag.

Feltre is met 21.000 inwoners de tweede stad van de provincie Belluno (214k) in de regio Veneto (4.9m), achter de hoofdstad Belluno (27k) waar gisteren de klimtijdrit werd gereden. Het ligt zo'n 20km ten zuidwesten van Belluno aan de rivier de Stizzon, die even buiten Feltre in de Piave stroomt. Feltre is de hoofdstad van de streek Feltrino en is de oude stad is gebouwd op een 325 meter hoge heuvel, de Colle delle Capre, terwijl de modernere uitbreiding op de flanken en aan de voet van deze heuvel staan.


Feltre

De stad is gesticht door de Raeti, een stam uit de Alpen. Het werd in de 2e eeuw v.C. veroverd door de Romeinen die het Feltria noemden en in 49 v.C. stadsrechten gaven. Het werd tijdens de val van het Romeinse rijk verwoest door de Hunnen en Goten, later werd het veroverd door de Longobarden en Franken. Later kwam de stad in handen van diverse stadstaten zoals o.a. Verona en Milano tot de stad zich (net als Belluno) in 1404 vrijwillig aansloot bij de Venetiaanse Republiek.

Feltre werd in 1509 bijna volledig verwoest door de Liga van Kamerijk, een alliantie van o.a. Frankrijk, het Habsburgse rijk en de Kerkelijke Staat tegen Venezia dat zich steeds nadrukkelijker ging bemoeien met het Italiaanse vasteland bemoeide. Het werd hierna herbouwd, waardoor het historische centrum grotendeels uit 16e eeuwse Venetiaanse gebouwen bestaat. De stad werd tijdens de Eerste Wereldoorlog bezet door de Oostenrijkers en in de Tweede Wereldoorlog was hier in 1943 een ontmoeting tussen Hitler en Mussolini.

Bekende Feltrini zijn o.a. 15e eeuwse humanist Vittorino da Feltre, 16e eeuwse architect Andrea Palladio, actrice/model Cristina D'Alberto Rocaspana en de in deze Giro aanwezige wielrenner Davide Malacarne (Quick Step).

Het is de derde keer dat hier een rit van start gaat, de laatste keer was in 2000 toen de Spanjaard José Luis Rubiera de bergetappe naar Selva Val Gardena op zijn naam schreef. Enrico Cassani was een dag eerder de winnaar bij de enige aankomst die Feltre heeft gehad.



Tirano heeft ongeveer 9.000 inwoners en behoort tot de provincie Sondrio (182k) en regio Lombardia (9.9m), later deze week meer over deze regio. Tirano ligt aan de rivier de Adda in de Valtellina vallei, slechts twee kilometer van de Zwitserse grens en zo'n 25km ten oosten van de hoofdstad Sondrio (22k).


Tirano

Het strategisch gelegen stadje is waarschijnlijk gesticht in de Romeinse tijd en behoorde tot talloze (stad)staten alvorens het aan het begin van de 15e eeuw onderdeel werd van het hertogdom Milano. Het zou in de eeuwen hierna met de rest van de Valtellina toneel van strijd zijn tussen het katholieke hertogdom en de protestante Zwitserse Grijze Bonden (uit het huidige kanton Graubünden/Grigioni). In 1504 zou de heilige maagd Maria hier verschenen zijn, waarna men begon met de bouw van het in 1528 voltooide Santuario della Madonna di Tirano, het bekendste monument van Tirano dat altijd een katholiek bolwerk was in het gebied.


Santuario della Madonna di Tirano

Tirano leeft tegenwoordig vooral van het toerisme en is een belangrijk knooppunt voor (spoor)wegen richting de grote Lombardische steden, Bormio/Stelvio en het Zwitserse Sankt Moritz. De weg naar Zwitserland is de 2358m hoge Passo del Bernina waar ook een spoorweg overheen gaat, deze spoorweg (2253m) is één van de hoogste van Europa en staat op de UNESCO Werelderfgoedlijst.

Bekende "Tiranesi" zijn o.a. langlaufster Marianna Longa (zilver WK 2009 10km) en shorttracker Nicola Rodigari (zilver OS 2002 5km aflossing, 20x goud EK 1999-2009). De stad heeft geen bekende wielrenners voortgebracht en ook de provincie Sondrio niet, wel komt de actieve prof Francesco Gavazzi (Lampre) uit de provincie, maar hij doet niet mee in deze Giro.

Tirano was twee keer eerder aankomstplaats in de Giro, in 1967 won Marcello Mugnaini en in 2008 kwam Emanuele Sella als eerste over de streep in een etappe die over de Mortirolo ging. De stad was in 1967 ook startplaats van een etappe naar de Madonna del Ghisallo waar de Spanjaard Aurelio González Puente als eerste boven kwam.




Het peloton rijdt vandaag in de eerste 150km via de provincies Belluno en Vicenza (Veneto) naar Trentino waar het grootste deel van deze etappe zich afspeelt en het peloton langs de geboorteplaatsen van Francesco Moser (Trento) en Maurizio Fondriest (Cles) rijdt.

De koers begint pas echt op de Passo del Tonale (1883m|15.2km|6% gem. en 10% max.) van tweede categorie met de top op 63.8km van de streep. De Zwitser Yohann Tchopp won vorig jaar nog een etappe op deze berg die toen nog van de andere kant beklommen, als opvolger van de Gavia waar de renners vandaag nu na de afdaling van de Tonale links laten liggen, evenals de Mortirolo waar ze zo'n 25km later langs rijden.

De renners beginnen in Edolo aan de klim naar Aprica (1173m|15.4km|3.1% gem. en 9% max) van derde categorie, normaal de slotklim van Mortirolo-etappes zoals vorig jaar toen Michele Scarponi hier won, maar dit jaar ligt de aankomst net als in 2008 in Tirano na een afdaling (11.3km á 6.6%) en 7.2km vlak.

dinsdag 24 mei 2011

Etappe 16: Belluno - Nevegal (12.7km)

De renners gaan na een welverdiende rustdag weer verder met het beklimmen van bergen, vandaag in Veneto voor een klimtijdrit van Belluno naar Nevegal.

Veneto is met 4.9 miljoen inwoners de vijfde regio van Italië en qua oppervlakte staat het achtste met ongeveer 18.400km² (44% van Nederland). De hoofdstad is Venezia (Ned: Venetië) waar 271.000 mensen wonen, andere grote steden zijn Verona (264k), Padova (215k), Vicenza (116k) en Treviso (83k). Veneto is verdeeld in zeven provincies: Padova (933k), Verona (920k), Treviso (884k), Vicenza (870k), Venezia (863k), Rovigo (248k) en Belluno (214k).


Venezia

De geschiedenis van Veneto hangt nauw samen met die van de hoofdstad Venezia. Venezia dankt haar naam aan de Veneti, het volk dat het noordoosten van Italië bevolkte voor de Romeinen de macht overnamen. De naam komt van het woord "venetus" wat Latijn is voor de kleur blauw die de zee hier heeft. De stad zelf begon zich pas in de 5e en 6e eeuw te ontwikkelen toen het West-Romeinse rijk werd binnengevallen door barbaarse volken en veel mensen vluchtten naar de gebieden die nog onder controle van het Oost-Romeinse (Byzantijnse) rijk stond zoals deze eilanden. In 697 werd hier de "Serenissima Repubblica di Venezia" gesticht dat onder het bestuur van de doges uitgroeide tot dé grootmacht in de oostelijke Middellandse Zee en één van de belangrijkste steden tijdens de Renaissance.
Venezia heerste op haar hoogtepunt halverwege de 15e eeuw over grote delen van noordoost Italië, de Dalmatische kust en Griekse eilanden zoals Kreta en Cyprus. Venezia werd in deze periode schatrijk dankzij de handel met het midden en verre oosten. De ommekeer kwam in 1453 na de val van Constantinopel, het Ottomaanse Rijk zou langzaam maar zeker de nieuwe dominante factor worden in het oosten van de Middellandse Zee en de Venetiaanse Republiek raakte behalve veel van haar gebieden kwijt zoals Cyprus (1570) en Kreta (1645). De handelsstad zou erg rijk blijven, maar nooit meer zo machtig als voorheen worden.

In 1797 werd de Republiek veroverd en ontbonden door het Frankrijk van Napoleon, de gebieden (toen nog Veneto) werden verdeeld over Frankrijk en Oostenrijk. De Oostenrijkers zouden na de val van Napoleon ook de rest van de voormalige Republiek krijgen en stichtten het koninkrijk Lombardo-Veneto dat direct onder het gezag van de Oostenrijkse keizer stond. Lombardia werd in 1859 veroverd door Sardegna en zou vanaf 1861 deel uit maken van het verenigde Italië, het grootste deel van Veneto volgde in 1866.


Venezia

Veneto is één van de belangrijkste Italiaanse wielerregio's en heeft veel profkoersen, waaronder de semiklassieker Giro del Veneto die in augustus gereden wordt en vorig jaar een overwinning voor Daniel Oss opleverde. De regio bracht "slechts" twee Girowinnaars voort: Giovanni Battaglin (1981) en Damiano Cunego (2004). Ottavio Bottecchia was de eerste Italiaanse Tourwinaar (1924, 1925) en Battaglin schreef in 1981 ook de Vuelta op zijn naam. Marino Basso (1972), Moreno Argentin (1986) en Alessandro Ballan (2008) werden wereldkampioen. Verder wonnen renners uit Veneto (ook o.a. Davide Rebellin en Filippo Pozzato) o.a. 2x Milano-Sanremo, 3x Ronde van Vlaanderen, 1x Paris-Roubaix, 2x Amstel Gold Race, 7x Waalse Pijl, 5x Luik-Bastenaken-Luik en 9x de Giro di Lombardia.

De regio heeft momenteel maar liefst 29 actieve profs in een WorldTour (18) of PCT (11) ploeg rijden, alleen Lombardia doet beter. Zeven Veneti doen ook mee in deze Giro: Tiziano Dall'Antonia (Liquigas), Davide Malacarne (Quick Step), Matteo Tosatto (Saxo Bank), Alberto Ongarato (Vacansoleil), Emanuele Sella (Androni), Sacha Modolo (Colnago) en ritwinnaar Oscar Gatto (Farnese).
De belangrijkste afwezigen zijn Alessandro Ballan (BMC), Filippo Pozzato (Katusha), Damiano Cunego (Lampre), Elia Viviani (Liquigas), Marzio Bruseghin (Movistar) en Andrea Guardini (Farnese). Verder rijden op een lager niveau o.a. Davide Rebellin (Miche) en Angelo Furlan (Christina Watches) nog hun koersjes.



Belluno is met circa 37.000 inwoners de hoofdstad van de gelijknamige provincie (214k) in de regio Veneto (4.9m). Het ligt in de Valbelluna, een wijde vallei doorkruist door de rivier de Piave en omsloten door de Dolomieten in het noorden en de Prealpi Bellunesi in het zuiden. De hoogste berg van deze bergketen is de Col Nudo (2.472m), de stad Belluno ligt aan de voet van de Col Visentin (1.768m) met op de flanken het skioord Nevegal waar de aankomst van vandaag ligt.


Belluno

De stad is ergens tussen 220 en 200 v.C. gesticht door de Romeinen die het Bellunum noemden wat zoiets als mooie of heldere heuvel betekent. Het had vanwege de strategische ligging in de vallei vooral een militaire functie om Italië te beschermen tegen invallers uit de bergen, het werd dan ook tientallen keren aangevallen door zo'n beetje elke barbaarse stam die de Romeinen in de 4e, 5e en 6e eeuw tegen zich in het harnas hadden gejaagd. Het werd uiteindelijk veroverd door de Longobarden die in de 8e eeuw werden verdreven door de Franken.

Belluno werd in de 10e eeuw de hoofdstad van een graafschap bestuurd door de plaatselijke bisschop, maar in 1249 veroverd door de machtige Ezzelini familie. De periode hierna was er voortdurend met machtigere buren zoals Treviso en Verona, waardoor men zich in 1404 uiteindelijk vrijwillig aansloot bij Venezia. Belluno beleefde in de Venetiaanse tijd haar bloeiperiode, de stad was de belangrijkste houtleverancier van de maritieme republiek en in deze periode werden ook de belangrijkste monumenten gebouwd. Het Palazzo dei Rettori (1409-1536) en daar tegenover de Basilica Cattedrale di San Martino (1517-1627), een Renaissance kathedraal waar in de 18e eeuw een 72 meter hoge Campanile naast werd gebouwd.


Duomo di Belluno

De Italianen en Oostenrijkers vochten hevig om deze grensstad in de Eerste Wereldoorlog, hierbij werden veel historische gebouwen en de Ponte Vecchio verwoest. Het was in de Tweede Wereldoorlog een bolwerk van het Partisaanse verzet tegen de fascisten. Het stadje leeft tegenwoordig vooral van het toerisme en een kleine industrie, terwijl in de provincie in de jaren '60 de twee grootste brillenfabrikanten ter wereld ontstonden: Luxottica en Safilo, al zijn deze later wel verhuist naar respectievelijk Milano en Padova. De oprichter en eigenaar van Luxottica is Leonardo Del Vecchio, hij maakte zijn bedrijf via een reeks overnames (o.a. Ray-Ban, Oakley, Persol en Pearle) marktleider en is na Michele Ferrero de rijkste Italiaan met een geschat vermogen van 11 miljard dollar.

De voetbalclub Associazione Calcio Belluno 1905 speelde nooit hoger dan de Serie C en komt tegenwoordig in de Serie D uit. De heren volleyballers van Pallavolo Belluno speelden een tijdje op het hoogste niveau, maar tegenwoordig in de Serie B2 (vierde niveau).

Bekende Bellunesi zijn o.a. de 16e eeuwse Renaissance schilder Tiziano Vecelli, de pausen Bartolomeo Alberto Cappellari (Paus Gregorius XVI 1831-1846) en Albino Luciani (Paus Johannes Paulus I in 1978), 20e eeuwse schrijver Dino Buzzati (vooral bekend van Il Deserto dei Tartari, vertaald als De woestijn van de Tartaren), politicus Tommaso Padoa-Schioppa (Minister van Economie en Financiën 2006-2008), basketballer Dino Meneghin (271 caps, zilver OS 1980 en goud EK 1983, 3x Europees speler van het jaar) en langlaufer Pietro Piller Cottrer (OS: goud 2006 4x10km, 2x zilver, 1x brons. WK: goud 2005 15km, 2x brons).

Belluno heeft i.i.t. de andere Venetiaanse provincies erg weinig wielertalent voortgebracht. De enige noemenswaardige renner uit het verleden is Giovanni Knapp (ritzege Giro 1966) en uit het heden Davide Malacarne (Quick Step) die ook meedoet in deze Giro. De stad was in een grijs verleden vier keer aankomstplaats in de Giro met zeges voor Olimpio Bizzi (1938), de Ier Seamus Elliot (1960), Guido Carlesi (1962) en Felice Gimondi (1966). Er gingen ook vijf ritten van start, voor het laatst in 1966 toen Pietro Scandelli de etappe naar Vittorio Veneto op zijn naam schreef.


De aankomst ligt op de L'Alpe del Nevegàl of simpelweg Nevegal, een plateau op de flanken van de 1763 meter hoge Col Visentin in de Prealpi Bellunesi. Het behoort tot de gemeente Belluno die dus niet verlaten wordt in deze klimtijdrit.


Nevegal

Nevegal is sinds de jaren '50 uitgegroeid tot een wintersportoord, op het plateau wordt vooral veel aan langlaufen en er is ook een schaatsbaan, hoger op de berg ligt 25km aan skipistes. In de zomer is het vooral populair bij mountainbikers en wandelaars.
Sinds 1954 wordt er een klimtijdrit voor raceauto's georganiseerd en in 1985 was Belluno gastheer van de Winter Universiade waar de meeste evenementen in Nevegal werden afgewerkt. De enige Giro aankomst was in 1963, toen won Arnaldo Pambianco hier een rit in lijn, hij zou ook die Giro op zijn naam schrijven.




De klimtijdrit begint zowaar met een afdaling, de eerste 1850 meter lopen in een licht dalende lijn, hierna is het nog 3.5km vals plat richting de eerste tijdsopname in Caleipo alvorens de werkelijke klim kan beginnen.

Het eerste deel van de klim naar Nevegal (1047m|7.3km|8.2% gem. en 14% max.) is gelijk het lastigst met een gemiddeld stijgingspercentage van 10.3% over de eerste 4.4km met twee erg steile stukken van >12% en een piek tot 14%. De klim vlakt naar het einde toe dan weer wat uit.